Shakespeare als naamspecialist

Beeld: Jacon Houbraken, portret van William Shakespeare (Rijksstudio)

Bij elke discussie over naamgeving komt vroeg of laat het Shakespeare-citaat ‘What’s in a name?’ ter sprake. Het is een van de meest misleidende zinnen uit de Westerse cultuurgeschiedenis. Evengoed zijn de titels van Shakespeares toneelstukken uitstekende voorbeelden van naamgeving.

Waar slaat Juliet Capulet de plank mis?

Het beroemde citaat komt uit Romeo and Juliet. Juliet werpt vertwijfeld de theorie op dat namen geen relatie hebben met hun drager en dat het dus onbezwaarlijk zou moeten zijn dat een jongen en een meisje uit twee rivaliserende families de liefde vinden. Voorbeeld: de roos. Die zou net zo goed patat kunnen heten en nog hetzelfde ruiken.
 Wat Juliet wegmoffelt is dat we de wereld indelen met behulp van namen en relaties tussen namen. Stel dat koningin Elisabeth I na het zien van het stuk per wet zou hebben besloten om witte rozen rose te blijven noemen, maar dat rode voortaan akjhgiagjf (‘any other name’) zouden heten. Dat zou de orde hebben verstoord. Men zou rozen anders zijn gaan ruiken.
 Dat geldt natuurlijk nog veel sterker bij familienamen. De traditie om kinderen naar de directe voorvader(s) te vernoemen is een recept voor clanvorming of op zijn minst overwaardering van de mannelijke bloedlijn.

En Shakespeare de plank raak

Juliet mist het inzicht dat namen families vormen — en dat familienamen dat bij uitstek doen. De titels van Shakespeares toneelstukken zijn juist een toonbeeld van familievorming. Bijv. de koningsdrama’s, o.a.: Richard II & III, Henry IV, V, VI, VII; formules met of: Two Gentlemen of Verona, The Merry Wives of Windsor, The Comedy of Errors, The Merchant of Venice, The Taming of the Shrew en duo’s: Antony and Cleopatra, Troilus and Cressida en Romeo and Juliet.